C A S B O E K

home schrijfsels sprooksels dichtsels links contact


SPROOKSELS

het prijslijsten-
schandaal

goraliet

crisis bij de Impen

een dag uit het leven van Jonas Posso

de reis van de prins


Joodse verhalen


goraliet

Vroeger was er diep in het binnenland, ver van de hoofdstad waar de keizer zetelde, een steengroeve. Het was een enorme groeve, waar het goraliet werd gewonnen. Zoals we weten is goraliet een bijzondere steensoort. Het lijkt op marmer maar is niet gemarmerd. Het komt in vele kleuren voor en is ook wat soepeler in het bewerken dan marmer. Merkwaardig is dat een klomp goraliet soms heel licht voelt en soms heel zwaar.

Eens in de zoveel tijd kwam er een order van de keizer of van zijn opperbouwmeester om een bepaalde hoeveelheid goraliet naar de hoofdstad te brengen, ongetwijfeld om er vele fraaie dingen van te maken. De hoofdstad stond wijd en zijd bekend om de prachtige sculpturen, die de weidse tuinen en parken rond het keizerlijk paleis sierden. Enkelen hebben het overleefd en zijn thans te bezichtigen in de musea.
De keurmeesters zochten dan in de voorraden goraliet de mooiste stukken uit voor vervoer naar de hoofdstad. Dat vervoer was geen sinecure. De groeve lag immers in een afgelegen provincie, duizenden kilometers scheidde het mijnbouwgebied van de hoofdstad.
Er werden koelies voor gebruikt om de grote stenen te dragen. Ze liepen met zo’n stuk goraliet in een passend gemaakt draagstel op de rug, dag in dag uit, jaren lang. Hun route voerde door dalen en over bergen, door bossen en woestijnen, over steppen rivieren, door storm, kou en hitte.
Vrijwel nooit kwamen ze na zo’n enorme reis terug en in het mijnbouwstadje bij de groeve nam men aan, dat de koelies eenmaal in de hoofdstad aangekomen – als ze die al hadden gehaald – een pensioentje kregen en in een hutje bij het paleis mochten wonen. De vraag is of deze aanname niet eerder de wens van de jonge arbeiders vertolkte dan de realiteit.

Wij hebben tegenwoordig meer gegevens over hoe het toeging rond de leveranties van het goraliet. Een enkele inscriptie van de hand van een koelie onderweg, ambtsberichten van keizerlijke ordonnansen en fragmenten van kronieken van hofschrijvers zijn opgedolven van onder het zand of opgedoken uit verloren gewaande en herontdekte archieven.
Zo kunnen we de reis van de koelie met name Ar Goen tot op bepaalde hoogte reconstrueren.

Als jongeman kreeg hij de opdracht een stuk goraliet naar de hoofdstad te brengen. Het gevaarte was iets langer dan zijn lengte en iets breder dan zijn breedte. Al meteen klaagt hij over de zwaarte van zijn steen, maar prijst zich ook gelukkig, dat zijn draagstel van goede kwaliteit is, efficiënt van ontwerp en gemaakt van soepel osseleer. Dit is een vrije vertaling van een bij de groeve gevonden anonieme inscriptie, die wij voor het verhaal aan Ar Goen toeschrijven. Hij vertrekt in de maand Dalon, op de zesde van die maand, in het jaar van de haas, zo luidt het.

We vernemen weer van hem, als hij mogelijk al dagen verdwaald is in de woestijn.
Hij heeft iets gekrast in een schilfer goraliet, die hij vermoedelijk van zijn steen heeft afgeslagen. De schilfer heeft een zeer scherpe rand, waaraan een van de onderzoekers zich destijds bij het opgraven deerlijk heeft verwond.
Te lezen is een noodkreet in het binnenlands dialect. Vrij vertaald komt het op het volgende neer: “De hitte is niet meer te dragen. Ik heb mijn steen overeind gezet en heb mijzelf samengeperst tot een zo klein mogelijke bal om in de schaduw van de steen te blijven. De speltkoeken en het water zijn op. Als er geen hulp komt is dit mijn einde. Ar Goen”.

De koelie moet het overleefd hebben, want de volgende getuigenis die wij hebben vermeldt zijn naam: Ar Goen. Het betreft een ambtsbericht van een keizerlijke ordonnans aan de majesteit.
Het moet wel een bijzonder stuk goraliet zijn geweest, dat de keizer zich erom bekommerd heeft waar deze steen toch bleef; hij heeft er in ieder geval een speciale ambtenaar voor op uitgestuurd om het kostbare geval op te sporen. En de man heeft het gevonden, gezien de inhoud van het bericht. Hij trof Ar Goen aan in een dorp in de provincie Oem Tsa, zo ongeveer halverwege de groeve en de hoofdstad.

Het moet jaren na het woestijngebeuren zijn geweest , want de koelie bleek getrouwd te zijn en had twee kinderen. Ook had hij een ambacht geleerd; hij werkte in een grote werkplaats met vele andere arbeiders als instrumentmaker. Zijn specialisme was het smeden van fijne tangen en pincetten, vergrootglazen en verrekijkers. We citeren het ambtsbericht verder letterlijk, vrij vertaald uit de paleistaal van die dagen: “Wij troffen de koelie aan in een stenen woning, getrouwd met een vrouw, schoon van gestalte, maar lastig van karakter, vader van twee kinderen. Wij vonden de goralieten steen in de achtertuin. De achtertuin was verwaarloosd en verwilderd. De steen stond achterin en was bijna onzichtbaar geworden, overwoekerd door klimplanten en bedekt met mos. Wij hebben de koelie Ar Goen aan zijn opdracht herinnerd en hem gesommeerd de steen weder op te nemen en te vervoeren in de richting van Uwe Majesteit”.

Tot zover dit ambtsbericht, dat grotendeels op een perkament van hondenhuid bewaard is gebleven en bezichtigd kan worden in de vitrines van het Nationaal Museum.

Ar Goen moet aan dit ambtsbericht gevolg hebben gegeven, want nog steeds worden er in de dorpen van de provincie Oem Tsa liederen gezongen over de ‘Reis van Goen’, waarin de held Goen afscheid neemt van zijn geliefde. Die Goen moet Ar Goen zijn geweest, hoewel wij er minder zeker van zijn, dat de bezongen geliefde zijn echtgenote is geweest. Een proeve van de teksten van deze liederen, die een sterke erotische inslag hebben, te geven is verleidelijk maar voert ons te ver af van ons onderwerp: de reis.

Het transport van de goralieten steen wordt dus vervolgd. Jaren moeten voorbij zijn gegaan als wij Ar Goen weer tegenkomen in de keizerlijke kronieken. In een van de passages van deze gedeeltelijk bewaard gebleven kronieken beveelt de opperschrijver des keizers aan ene Ar Goen een beeld te maken uit goraliet ten behoeve van ’s-keizers paleistuinen. Hij krijgt order een atelier in te richten in een gehucht in de buurt van de hoofdstad. Daar moet hij aan het werk om het beeld te maken. Hij mag de hoofdstad pas betreden als het beeld klaar is om aan de keizer aan te bieden. Niet is bekend of de keizer of de opperbouwmeester of de minister van culturele zaken dan wel het hoofd plantsoenen en parken voorschriften heeft gegeven over hoe het beeld eruit moest zien. Wel weten wij dat Ar Goen het beeld heeft gemaakt en ermee in de hoofdstad is aangekomen.

Want in de archieven van de hoofdstedelijke begraafplaats, die recentelijk zijn ontcijferd, is een aantekening gevonden, die ongeveer als volgt luidt:
”De koelie Ar Goen is aangekomen en overeenkomstig de oude gebruiken bij aankomst om het leven gebracht; met de gebruikelijke rituelen is hij begraven en volgens de traditie is zijn beeld geplaatst op zijn graf temidden van de andere graven in de tuinen van de keizer van het hemelse rijk, moge dat in glorie tot in eeuwigheid duren”.


juni 2006
©Rob Cassuto